Nog niet eens 15 gram. Dat weegt het buxushouten model met een diameter van net geen 8 centimeter. Maar de voorstellingen die aan beide kanten uit het hout zijn gesneden, zijn echt verbluffend. Niet alleen vanwege de heel nauwkeurig weergegeven details, maar ook vanwege de hoogte van het reliëf van de voorstellingen. Het buxushouten model is een model van de beloningspenning van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie
In 1601 werd de VOC opgericht, de Verenigde Oostindische Compagnie. In zes steden had de VOC een lokaal kantoor of kamer: in Amsterdam, Rotterdam, Delft, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg. Het hoofdbestuur werd gevormd door Heren XVII, een vergadering van vertegenwoordigers van de kamers. De VOC stichtte handelsnederzettingen in grote delen van Azië met als belangrijkste vestigingen de Indonesische archipel en Ceylon.
De retourvloot
Elk jaar vertrok vanuit Batavia, het tegenwoordige Djakarta, een vloot die de specerijen, het porselein en alle andere producten die de VOC in haar pakhuizen had opgeslagen naar Nederland bracht. De schepen zeilden in konvooi als verdediging tegen piraten. Aan het hoofd van de vloot stond een admiraal of een commandeur. Zijn hoofdtaak was om de vloot veilig thuis te brengen. Na terugkeer legde hij verslag af in de vergadering van Heren XVII. Als hij zijn werk goed had gedaan dan kreeg hij als beloning een gouden ketting met een penning ter waarde van fl 500 of fl 600.
De beloningspenning van de VOC
De beloningspenningen die aan de kettingen hingen worden ook wel commandeurspenningen genoemd. Een klein aantal bleef bewaard. In 2de helft van de 17de eeuw was de commandeurspenning een ovale, gegraveerde penning met een VOC-schip op de voorzijde en een opschrift op de keerzijde.
Tegen het begin van de 18de eeuw maakte de ovale, gegraveerde penning plaats voor een gegoten penning. Ook de nieuwe penning had op de voorzijde de VOC-driemaster en op de keerzijde een leeg schild waar plaats was voor het opschrift.
Amsterdamse en Zeeuwse penningen
Heren XVII vergaderden zes jaar achter elkaar in Amsterdam en dan twee jaar in Zeeland. Anders dan de kamers beschikte het hoofdbestuur van de VOC niet over een eigen organisatie met werknemers. Voor de uitvoering van besluiten waren de kamers verantwoordelijk en voor de voorbereiding en het verloop van de vergaderingen de voorzittende kamer. En dat gold ook voor het laten maken van het geschenk dat de vergadering aan de teruggekeerde commandeur uitreikte.
Dat betekent dat de commandeurspenning en de bijbehorende ketting zes jaar lang door een Amsterdamse goudsmid werd geleverd en vervolgens twee jaar door een Zeeuwse meester. Van de drie gietpenningen die bewaard bleven, zijn er twee in Amsterdam gemaakt en een in Middelburg, de penning die in 1753 aan Maarten Haringman werd uitgereikt. En toch zijn de verschillen tussen de Amsterdamse en Zeeuwse penningen miniem.
Dat moet mede te danken zijn geweest aan voorbeelden zoals het buxushouten model. Helaas weten we ook na uitgebreid archiefonderzoek niet wanneer en door wie het werd gemaakt. Maar dat het een rol bij de vervaardiging speelde, lijkt wel heel waarschijnlijk.
Amper 15 gram. Geen goud, maar hout. Maar toch, heel kostbaar hout met een bijzonder verhaal.